Member details

De Berg Olympus..

 
29 Mar, 01:16



Ik wandel door de schemerzone. Met een been in de dag, met de ander in de nacht. Ik tracht de aandacht te verdelen tussen de mensen van wie ik houd. Zij bewandelen de dag, waar anderen gaan, lopend door de nacht. Met de kracht van mijn macht, ben ik een weegschaal constant aan het balanceren en evenwicht brengen, tussen de mensen die ik lief heb. Ik leef in beide werelden, die van daglopers, en zij die aan de andere kant van de dag leven. Gedeeld leef ik, maar niet verdeeld. Opgedeeld, mijn liefde, gevend het deel wat ieder toe komt. Ik ben jullie, lopend tussen jullie in. De spil van eenwording. De overgang van dag naar nacht. Jullie zijn een deel van mij, lopend aan mijn zij. Ik verbind dat wat verbonden behoort te worden. Een brug naar elk ander toe, brengend de ander waar hij nog nooit is geweest. Een verbintenis tussen werelden, levens, worden een. Alles draait om mij heen. Zo onder, zo boven. Zowel links als rechts. Slechts door ontkenning van mijn alles, en de liefde die alles bij elkaar houdt. Zal het vol lopen met niets, en maakt het plaats voor haat. De staat van het bestaan, zal ten onder gaan, tot een staat van ontbinding. De bevinding van het belang van het evenwicht, is al naar gelang in te vullen. Maar bij lange na niet vrij te interpreteren. Waar ik loop, komt alles samen. Daar is de plek, waar je kunt gaan balanceren, om het evenwicht te bewaren tussen goed en kwaad. Man en vrouw. Dag en nacht. Het is mijn macht, de kunst van balanceren. Om te leven tussen de werelden door. Voor ik ben alles en niets. De man in de vrouw, vrouw in een man. Ik kan gaan, overal heen waar ik maar wil. Gedeeltes van jullie, zijn delen van mij, verdeelt over de werelden. Ik adem leven, om te geven. Het streven naar pure liefde, die volmaakt doorstroomd door mijn lijf. Ik blijf in het midden, maak van twee, een. Smelt samen de polen, in mijn kroes. Dat hangt boven het vuur, dat eeuwig brandt, diep van binnen. Van verlangen om liefde te vangen. Te bedrijven, wulpse lijven, dicht tegen elkaar. Ik ben daar, waar, je in het ultieme genot, samen komt. De dualiteit wordt eenheid. Ik verbreid mijn horizon. Al ik weet heg noch steg. De gouden middenweg, is waar ze samen komen, in de schemerzone.
Lees wat eraan vooraf ging bij Nappie en Melusina

no name Vele eeuwen zijn er voorbij gegaan sinds ze zichzelf in een rietstengel veranderd heeft, om zich te beschermen tegen haar belager Pan. Het rijk der stervelingen heeft zich uitgebreid en de aarde volledig in bezit genomen. Zelfs de berg Olympus is in handen van de stervelingen gevallen. De goden en de andere mythische wezens leven nu in een andere dimensie, ergens tussen hemel en aarde. Op aarde wordt het steeds moeilijker om een rustig plekje te vinden.

De bossen rond de berg Olympus, waar Syrah ooit met haar vriendinnen mooie tijden beleefde, zijn volledig verdwenen. Veel van haar vriendinnen hebben hun onsterfelijkheid opgegeven door met een sterveling te trouwen. Zij zijn al lang geleden tot sterrenstof wedergekeerd. Hoewel ze verwant is aan de goden, voelt ze zich toch een beetje een buitenbeentje in hun gezelschap. Ofschoon ze van gezelligheid houdt en van een goed glas wijn, is ze niet zo uitbundig en vrij als de meeste godinnen. Als nymf leeft ze teruggetrokken in haar eigen wereld. Ze heeft haar geboortegrond verlaten voor een gebied waar minder stervelingen wonen. Hier is men het verhaal van Syrah en Pan al lang vergeten. Hier is Syrah het verhaal van de edele druif die tot godendrank wordt verwerkt, hier leeft ze als een godin in Frankrijk.

Ze brengt haar dagen door in de stilte van haar nieuwe leefgebied. Ze kijkt hoe het voorjaar ontluikt met bosanemonen en sleutelbloemen. Ze ziet de eerste dotterbloemen in de vijver verschijnen en hoe de irissen knoppen krijgen. Binnenkort zal het warm genoeg zijn om buiten te baden. Soms mist ze haar vriendinnen, met wie ze vroeger baadde. De enkeling die nog over is, ziet ze nog maar weinig. Toch heeft ze niet zo’n behoefte aan andere wezens. Er zijn maar weinig wezens met wie ze zich verbonden voelt.

Soms verlaat ze de beschutting van haar stukje aarde om een bezoekje te brengen aan de zee. Ze houdt van de uitgestrektheid en het desolate van de oceaan. Ook houdt ze van het gezelschap van haar verwanten, de waternymfen. Ze voelt zich met hen verbonden. Zij houdt van het mysterieuze gezang van de sirenen en van het geruis van de branding. Ze zwaait naar Melusina, die de wereld gadeslaat vanaf haar rots, omringd door water.

Een van haar favoriete plekken is het eiland dat ze per toeval ontdekte toen ze zich door de wind liet meevoeren naar onbekende oorden. Eerst dacht ze dat het eiland onbewoond was, maar na een stukje over het strand gelopen te hebben, ontdekte ze een hutje. Voor het hutje zat een man. Vanaf een afstandje sloeg ze hem gade. Een in eenzaamheid levende banneling, geketend door zijn eigen gedachten. Ze was niet bang voor hem, het voelde alsof ze hem al heel lang kende. Het voelde vertrouwd. Van tijd tot tijd zoekt ze hem op en luistert naar zijn verhalen. Ze houdt van zijn verhalen, ze wordt erdoor geraakt. Soms vertelt ze hem haar verhalen. Ze begrijpen elkaar.

Onlangs waren de goden vertoornd en lieten een hevige storm over land en zee razen. Er was veel schade, vooral aan zee. Ze maakte zich zorgen over de eilandbewoner. Terecht, want al snel bereikte haar het bericht dat zijn hut volledig verwoest was. Ze vroeg zich af wat dit voor gevolgen zou hebben voor de kwetsbare banneling. Ze dacht aan het glazen hart dat hij gekregen had. Hij was er zo zuinig op.

no name Toen ze op het eiland aankwam, bleek de eilandbewoner al druk bezig te zijn met de wederopbouw. Het zweet liep in straaltjes langs zijn lijf van het sjouwen van al dat hout voor zijn nieuwe hut. Inmiddels waren er ook een paar godinnen gearriveerd en als ze verder loopt ziet ze Mel voorovergebogen op het zand zitten, met het hart ongeschonden in haar handen. Ze legde het voorzichtig terug en kwam met het idee om een kistje te maken, zodat het voortaan onder alle omstandigheden beschermd zou blijven. De dag eindigde met een feest, met een overdaad aan vers gebraad, wijn en dans. Merope, Maia, Artemis, Melusina en een paar wezens die ze nog niet kende waren er en het was gezellig. Na een tijdje echter had ze er genoeg van. Ze voelde zich overbodig. De sfeer werd steeds losser en het gelach steeds harder, terwijl zij steeds stiller werd. Ze verlangde naar de rust van haar eigen plekje. Melusina had zich ook al teruggetrokken. Ze had gezien hoe ze haar mooie witte jurk van zich af had gegooid en zee verdwenen was. Van een afstandje keek ze naar de eilandbewoner en zijn harem. Sommigen zouden er de nacht doorbrengen. Zij niet, zij wilde naar huis. Ze wist dat alles goed was, ze kon met een gerust hart vertrekken. Als de rust was wedergekeerd zou ze weer terugkomen om naar zijn verhalen te luisteren. Hij zou haar vertellen hoe het verder ging en ze zou glimlachend naar hem luisteren.


© Syrah maart 2008
no nameDe zeemeermin Melusina zat op een rots en keek uit over de zee. Ze had veel om over na te denken en was daarom gaan zitten op haar favoriete rots. Deze ligt voorbij haar zusters de Sirenen, een veel betere bewaking tegen sterfelijke mannen was er niet, maar wel dicht bij het strand van de stad Olympus. Ze hoorde haar godinvriendinnen waaronder Kallilope, Merope, Selene en Artemis tikkertje, of was het nou godenpakkertje, spelen met Mercurius en Endymion. De lol die ze hadden klonk uitnodigend, ze zou zich later wel bij hen voegen, als ze klaar was met denken.
Tot haar grote verbazing streek de adelaar Yozev bij haar neer op de rots. Hallo lieve vriend, dank je voor je steun en ze streek zijn veren glad. Samen koesterde ze zich in de lentezon. Onwillekeurig ontspande Melusina zich en keek naar het gefonkel van de schubben op haar staart, die half in het water half op de rots lag. Het besef dat alles goed komt, goed is, kwam samen met de stralen van de zon. Hoe had ze kunnen denken dat de man waarvan ze hield haar intense, melancholische en complexe natuur zou kunnen begrijpen. Nog erger hoe had ze kunnen denken dat ze hem had kunnen begrijpen en vangen zelfs…

no nameHij was een kind van de lucht, een windkind, een tweeling. Het was zijn speelse, veranderlijke en dubbele natuur waarvan ze hield. Zijn kinderlijke egoïsme vertederd haar maar kwetst haar ook. Niet dat het zijn bedoeling was, op zijn manier houd hij ook van haar. Maar de diepte van haar ziel en haar liefde beangstigd hem. Hij voelt zich gevangen, het benauwt hem en hij heeft zo de bevestiging nodig dat hij aantrekkelijk is, dat hij er mag zijn. Alleen haar liefde zou nooit genoeg zijn, nooit.
Omdat hij van haar hield en haar begeerde had hij zich anders voor gedaan. Ze had hem zo graag willen geloven, maar toen zijn ware aard zichtbaar werd, in het spel wat ze speelde was ze boos geworden. Heel boos geworden zelfs, ze had gereageerd als een klein kind waarvan het speelgoed werd afgepakt. Nu schaamde ze zich voor haar driftbui en vond ze het jammer dat ze hem ermee had gekwetst.
Ze voelt dat hij zit te mokken achter een wolk in de buurt en zend hem de glimlach, waarvan ze weet dat hij zo houdt. Sorry mijn lief, maar een waternimf en een windkind, wat dachten we, verwachtten we, nou eigenlijk. Ik hou van je en jij van mij, maar onze wereld zijn te ver uiteen. Toch sluit ze niet uit dat één van hen het op den duur ondanks alles het toch weer probeert, ze hadden elkaar tenslotte bijna. Hoop en liefde leven eeuwig. Voorlopig zullen beiden het moeten doen met de wetenschap dat de ander altijd dichtbij is, al is het alleen maar in gedachten.
De geluiden van het strand worden onweerstaanbaar, het is tijd om de zwaarmoedigheid van zich af te schudden en te gaan spelen. Ze geeft Yozev een kus op zijn snavel en zegt: “Kom we gaan!”
11 Feb, 15:48
Ik ben
Chaos,
kort van
stof en
zonder uitloop van
een nevel.

Ik ben het
geraamte:
goden en
materie zijn
mijn energie
in een andere
gedaante.

no name De dag begon als alle andere dagen, hoewel het misschien iets warmer was dan normaal en de zon iets helderder scheen door de fris groene lenteblaadjes die nog niet lang geleden ontsproten waren. De zonnestralen die als bundels puur goud door het bladerdak vielen, maakten dat de dauwdruppels net diamanten leken. Syrah rekte zich uit en zette een paar stapjes naar voren tot ze in een bundel zonnestralen stond, die haar lichaam koesterden en de door de koude, vochtige bosnacht veroorzaakte stijfheid uit haar lichaam verdreef. Glimlachtend groette ze de zon en bedankte haar voor de schoonheid en warmte die ze haar iedere dag schonk, het vaste ritueel. Ze rekte zich nog eens uit, keek genietend naar de ontluikende bosannemoontjes die zich als een zacht wit tapijt onder de bomen uitspreidden en dronk wat van de dauw die zich op de kelkvormige bladen van de reuzennymphea tot poeltjes had gevormd. De vijver lag er verlaten bij, want de meesten nymfen waren nog niet wakker en eigenlijk was het nog te fris voor een ochtendbad. Een enkel kikkertje zat op een lelieblad en de eerste insecten gonsden boven het water, af en toe naar beneden duikend om wat water op te lepelen.

Het zou niet lang duren of Artemis, Godin van de jacht, zou in gezelschap van haar favoriete nymfen naar de vijver komen voor haar dagelijkse bad. Net als de meeste nymfen verafgode Syrah Artemis, vanwege haar krachtige uitstraling, maar bovenal vanwege de bescherming die de nymfen van Artemis genoten tegen de saters, de wellustige jongelingen en zelfs enkele goden die regelmatig naar de vijver kwamen om een glimp van de badende nymfen op te vangen of erger, zich aan hen te vergrijpen.

Syrah ging op een elfenbankje aan de rand van de vijver in de zon zitten om op haar vriendinnen te wachten. Ze deed haar ogen dicht en luisterde naar het gekwetter van de jonge vogels en het gekwaak van de kikkers. De zon en de wind streelden om beurten haar zachtgebronsde huid. Een plotseling ritselen in het struikgewas deed haar opkijken en haar ogen speurden de omgeving af naar mogelijke indringers. Misschien was het toch niet zo’n goed idee geweest om in alle vroegte, helemaal alleen naar de vijver te komen. Zo zou ze wel een hele makkelijke prooi zijn voor Pan, de God van het woud, die lelijke, stinkende, ontuchtige zoon van Hermes en Penelope, die geen kans voorbij liet gaan om zijn nimmer aflatende lusten te botvieren op de nymfen. Na iedere verovering danste hij vrolijk fluitend terug naar het godenrijk, in de stellige overtuiging dat alle nymfen uiteindelijk voor zijn charmes zouden vallen, er was alleen wat meer overredingskracht voor nodig. Jammer dat de dodelijke pijlen van Artemis hèm niet getroffen hadden in plaats van de mooie Orion. Of dat ze hèm niet in een hert had veranderd, net als Aktaion, zodat hij opgevreten werd door de honden. Helaas liet Pan zich niet afschrikken door het lot van Aktaion. Hij zorgde er liever voor dat hij niet betrapt werd en zocht meestal een moment uit waarop Artemis er niet was om haar nymfen te beschermen.

no name In de verte klonken de vrolijke stemmen van de eerste nymfen die naar de vijver kwamen om te baden. Opgelucht stond Syrah op van het elfenbankje. Ze liep haar vriendinnen tegemoet en voegde zich bij hen. Vrolijk pratend ontdeden de nymfen zich van hun schaarse kledij en lieten zich vrolijk lachend en pratend in het koele water van de bosvijver zakken. Syrah genoot van de mooie lentedag en van het gezelschap van haar vriendinnen, Pan en het geritsel in het struikgewas vergetend.

Na haar ochtendbad droogde ze zich af met een zachte, jonge varen en ging weer in de zon zitten op het elfenbankje. Ze sloot haar ogen en doezelde een beetje in slaap, zachtjes gewiegd door de zwoele zomerwind, haar gedachten bij de schone jongeling aan wie ze dit najaar haar maagdelijkheid zou schenken tijdens het jaarlijkse feest ter ere van de bosgeesten, dat in september plaats zou vinden bij volle maan. Ze voelde zijn sensuele lippen in haar hals en zijn warme adem in haar oor. Terwijl zijn hand haar blote arm streelde begon Syrah zich te realiseren dat haar jongeling helemaal niet in het bos was, maar in het Pantheon was om de Goden te dienen. Met een ruk draaide ze zich om en keek recht in het grijnzende, lelijke gezicht van de brutale Pan. Gillend zette ze het op een lopen en struikelend over een grote kei, belandde ze in de bosvijver. Toen ze bovenkwam hoorde de ze de andere nymphen ook gillen, want Pan was met een grote plons in het water gesprongen en zijn maaiende armen probeerden te grijpen wat ze grijpen konden. Door de ontstane chaos was het onmogelijk om uit de vijver te komen. Syrah’s voeten raakten verstrikt in de wortels van de nympeas. Ze kon geen kant meer op. Het enige wat ze nog kon doen was de Goden te smeken haar te sparen en haar haar maagdelijkheid te laten behouden. Alles, beloofde ze, alles zou ze er voor over hebben om niet door Pan onteerd te worden. Toen werd het zwart voor haar ogen.

Na een tijdje begon ze iets van licht te zien, heel ver weg, alsof het zich aan het einde van een hele lange tunnel bevond. Vaag was ze zich bewust van het tumult om haar heen, dat beetje bij beetje leek te verstommen. Toen was het stil.

De Goden hadden de gebeden van Syrah verhoord en haar geholpen zich in een rietstengel te veranderen, zodat Pan haar niet kon onteren. Maar Pan had de verdwijning van Syrah meteen opgemerkt. De vreemde rietstengel die tussen de nympeas stond trok zijn aandacht. Hij vermoedde dat die iets met de verdwijning van zijn uitverkoren bosnymf te maken had. Woedend om zijn nederlaag trok hij de rietstengel uit de vijver en brak hem in stukken. Een schrille, hese jammerklacht steeg op uit de rietstengels en spreidde zich uit over de vijver. Hijgend, met de stukken riet nog in zijn handen strompelde Pan het water uit en liet zich op het elfenbankje zakken, waar eventjes daarvoor de nymf nog had gezeten. In gedachten bracht hij een van de stukken rietstengel naar zijn mond en blies erop. Een prachtige, hese, weemoedige klank steeg op uit de stengel. Verbaasd keek Pan naar het stukje riet in zijn handen en bracht het opnieuw naar zijn mond om erop te blazen. Weer diezelfde klank. Een voor een bracht hij de stukken van de rietstengel naar zijn mond en blies erop, en allemaal brachten ze eenzelfde soort hese klank voort, maar steeds net iets anders van toon. Ze leken hem toe te zingen; het weemoedige lied van de bosnymf die om aan zijn wellust te ontkomen veranderd was in een rietstengel en die hem de rest van zijn leven zou kwellen met haar hese stem, iedere keer als hij de stengels aan zijn mond zette.

no name Beneveld door de gebeurtenissen vlocht hij de stukken riet met grashalmen aan elkaar, van groot naar klein, van lage tonen naar hoge tonen. Toen hing hij de zelfgemaakte fluit om zijn nek, om hem nooit meer af te doen, voor altijd gekweld door het eeuwige verlangen naar de hese klanken die hem betoverd hadden en hem keer op keer weer in vervoering brachten, zoals de nymf Syrah die hij nooit had mogen bezitten, ooit gedaan had.


© Syrah



28 Jan, 20:54
heel mijn gehavende ziel
in Uw zalvend vocht
dat rijkelijk vloeit
over gebronsde huid
aanschouw de schoonheid
van der vrouwen lijven
deze Godinnen van de nacht

in Uw aanwezigheid, oh grote liefde
schud ik mijn rode manen
en bezie ons opperwezens
als meesteressen van Venus
de nacht blijft jong...

Reeds sedert de eerste blik
doet U mijn hart smelten
als een eenhoorn richt ik me op
de duistere nacht speelt
met ongekende zinnen
de lucht klaart rond U

neem de hand en leidt
over het oneffen pad
wijsheid komt in rasse schreden
nooit te laat
maar zeker nu
oh, U roodgelokte

Uw blik in zwoele ogen
doet mijn lichaam sidderen
mijn hart verlangend opspringen
dat U, oh geleide van de liefde
mijn pad zult effenen

laat ons in Tunica
scharlaken de baden nemen
van zuivere hemellichamen
die onze lichamen bezoedelen
en dansen in het jonge licht
dat de maan dit ooit bevroeden kon
zeker nu, oh tedere

Uw ogen spreken dierbare
laat me U begeleiden
bij Uw weergaloze dans
de zwevende gewaden sieren U

ik zing voor mijn schoonste en zie
U hebt Uw kracht gevonden
deelt deze met mij de maan en elementen
laat me U gedogen, verleiden en koesteren

zoals vogels vrij zijn laat ik U
ik bekroon met wilde bloemen
de wellustige vormen
gij lieftalligste mijner godinnen


© Taramythras en Ibunda

21 Jan, 23:42
Mijn vader was kapitein op een groot schip. Er was geen zee of oceaan die hij niet bevaren had. Geen kust die hij niet kende, geen eiland dat hij niet kon aanwijzen op zijn vergeelde landkaarten.
Maandenlang was hij van huis. Soms herkende ik hem niet meer als hij eindelijk weer thuiskwam. Dan was hij bruinverbrand en had een woeste baard. Hij leek in niets op de vaders van andere kinderen. Die waren bleek, hadden kortgeknipt haar en droegen pakken met dassen.
Mijn vader had geen pakken of dassen, wel een tatoeage, van een zeemeermin uit een legende. La Sirène noemde mijn vader haar. En een pet, een echte kapiteinspet met een gouden anker erop geborduurd.
Als mijn vader thuis was, vertelde hij over zijn reizen. Ik was dol op zijn verhalen, vooral die over de Stille Oceaan. De eilanden met de witte stranden, de kokospalmen, de vrouwen met de bloemenkransen, de koralen, de schitterende helderblauwe zee.
Ooit zou ik over die stranden lopen en zou ik zwemmen in die prachtige blauwe wateren. Ik zou walvissen zien en haaien. Vissers zouden naar me zwaaien vanuit hun vrolijk gekleurde bootjes, inboorlingen zouden voor me dansen en meisjes met bloemen in hun haar zouden een krans voor me vlechten.
Paleizen van goud ingelegd met edelstenen zou ik bezoeken, tempels met stoïcijnse monniken, oerwouden met papegaaien en apen, woestijnen met leeuwen. En ik zou gelukkig zijn, want de zon zou altijd schijnen.
Soms mocht ik met mijn vader mee op zijn schip. Als ik over de loopplank liep, zag ik de troep en de kwallen in het grijsbruine water van de haven drijven. Dan dacht ik aan de heldere wateren met koralen van de Stille Oceaan.
Vanaf de brug van het schip had je uitzicht over de hele haven. Het was een troosteloos gezicht. Alles was grijs en grauw, roestige schepen en hijskranen leefden er hun vreugdeloze leven, even kleurloos als hun omgeving.
Meestal regende het of het was mistig. Ik draaide aan het stuurwiel en stelde me voor dat ik de haven van een exotisch eiland binnenvoer. Een koel briesje streelde mijn door de zon verwarmde huid. Kleine golfjes klotsten tegen de boeg van het schip.
“Kom”, zei mijn vader dan en pakte mijn hand. “We gaan naar huis.”
Na een tijdje ging mijn vader weer weg. Mijn moeder en ik gingen mee naar de haven om hem uit te zwaaien. Het was mistig en koud. Het zou gaan vriezen had de radio gezegd.
Overal stonden vrouwen en kinderen op de kade om afscheid te nemen van de bemanningsleden. Mijn moeder maakte een praatje met de vrouwen. Iedereen kende haar omdat ze de vrouw van de kapitein was.
Ik praatte niet met de andere kinderen. Ze vonden me raar, omdat ik droomde van verre reizen naar vreemde oorden. Dat was iets voor jongens. Meisjes bleven thuis en kregen kinderen, net als hun moeders.
Ik keek toe hoe het anker gelicht werd. Ik hoorde de dikke ijzeren, met algen begroeide ketting op het dek vallen. De loopplank werd binnengehaald en de misthoorn loeide. Het geluid van de motoren zwol aan en overstemde het geluid van de pratende moeders en hun schreeuwende kinderen. Het schip maakte zich los van de kade.
In gedachten zag ik mijn vader aan het stuurwiel draaien, de koperen knoppen aan de uiteinden glimmend gepoetst. Het schip was nu helemaal van de kade weggedraaid en de motoren werkten op volle kracht. Langzaam voer het schip de haven uit, waarna het werd opgeslokt door de mist. Het schip keerde nooit meer terug. Mijn vader ook niet.
Vanaf het balkon van mijn flat kijk ik uit over de haven. Het motregent. Alles is grauw en grijs. Ik droom nog steeds over verre oorden. Over het blauw van de Stille Oceaan, de witte stranden met de palmbomen, de gouden paleizen en de inboorlingen.
Maar de zon zal niet schitteren als voorheen, want altijd zal er die mist blijven, die mijn vader met zich meenam en die een schaduw wierp over mijn gedroomde leven.

© Syrah Lavigne (21 januari 2008)
http://syrahlavigne.hyves.nl