Mijn vader was kapitein op een groot schip. Er was geen zee of oceaan die hij niet bevaren had. Geen kust die hij niet kende, geen eiland dat hij niet kon aanwijzen op zijn vergeelde landkaarten.
Maandenlang was hij van huis. Soms herkende ik hem niet meer als hij eindelijk weer thuiskwam. Dan was hij bruinverbrand en had een woeste baard. Hij leek in niets op de vaders van andere kinderen. Die waren bleek, hadden kortgeknipt haar en droegen pakken met dassen.
Mijn vader had geen pakken of dassen, wel een tatoeage, van een zeemeermin uit een legende. La Sirène noemde mijn vader haar. En een pet, een echte kapiteinspet met een gouden anker erop geborduurd.
Als mijn vader thuis was, vertelde hij over zijn reizen. Ik was dol op zijn verhalen, vooral die over de Stille Oceaan. De eilanden met de witte stranden, de kokospalmen, de vrouwen met de bloemenkransen, de koralen, de schitterende helderblauwe zee.
Ooit zou ik over die stranden lopen en zou ik zwemmen in die prachtige blauwe wateren. Ik zou walvissen zien en haaien. Vissers zouden naar me zwaaien vanuit hun vrolijk gekleurde bootjes, inboorlingen zouden voor me dansen en meisjes met bloemen in hun haar zouden een krans voor me vlechten.
Paleizen van goud ingelegd met edelstenen zou ik bezoeken, tempels met stoïcijnse monniken, oerwouden met papegaaien en apen, woestijnen met leeuwen. En ik zou gelukkig zijn, want de zon zou altijd schijnen.
Soms mocht ik met mijn vader mee op zijn schip. Als ik over de loopplank liep, zag ik de troep en de kwallen in het grijsbruine water van de haven drijven. Dan dacht ik aan de heldere wateren met koralen van de Stille Oceaan.
Vanaf de brug van het schip had je uitzicht over de hele haven. Het was een troosteloos gezicht. Alles was grijs en grauw, roestige schepen en hijskranen leefden er hun vreugdeloze leven, even kleurloos als hun omgeving.
Meestal regende het of het was mistig. Ik draaide aan het stuurwiel en stelde me voor dat ik de haven van een exotisch eiland binnenvoer. Een koel briesje streelde mijn door de zon verwarmde huid. Kleine golfjes klotsten tegen de boeg van het schip.
“Kom”, zei mijn vader dan en pakte mijn hand. “We gaan naar huis.”
Na een tijdje ging mijn vader weer weg. Mijn moeder en ik gingen mee naar de haven om hem uit te zwaaien. Het was mistig en koud. Het zou gaan vriezen had de radio gezegd.
Overal stonden vrouwen en kinderen op de kade om afscheid te nemen van de bemanningsleden. Mijn moeder maakte een praatje met de vrouwen. Iedereen kende haar omdat ze de vrouw van de kapitein was.
Ik praatte niet met de andere kinderen. Ze vonden me raar, omdat ik droomde van verre reizen naar vreemde oorden. Dat was iets voor jongens. Meisjes bleven thuis en kregen kinderen, net als hun moeders.
Ik keek toe hoe het anker gelicht werd. Ik hoorde de dikke ijzeren, met algen begroeide ketting op het dek vallen. De loopplank werd binnengehaald en de misthoorn loeide. Het geluid van de motoren zwol aan en overstemde het geluid van de pratende moeders en hun schreeuwende kinderen. Het schip maakte zich los van de kade.
In gedachten zag ik mijn vader aan het stuurwiel draaien, de koperen knoppen aan de uiteinden glimmend gepoetst. Het schip was nu helemaal van de kade weggedraaid en de motoren werkten op volle kracht. Langzaam voer het schip de haven uit, waarna het werd opgeslokt door de mist. Het schip keerde nooit meer terug. Mijn vader ook niet.
Vanaf het balkon van mijn flat kijk ik uit over de haven. Het motregent. Alles is grauw en grijs. Ik droom nog steeds over verre oorden. Over het blauw van de Stille Oceaan, de witte stranden met de palmbomen, de gouden paleizen en de inboorlingen.
Maar de zon zal niet schitteren als voorheen, want altijd zal er die mist blijven, die mijn vader met zich meenam en die een schaduw wierp over mijn gedroomde leven.
© Syrah Lavigne (21 januari 2008)
http://syrahlavigne.hyves.nl